De intrekkingswet raadgevend referendum

Eigenlijk wilde ik dit blogberichtje niet schrijven, want elke keer als ik hierover nadenk word ik boos. Bovendien vraag ik wellicht te veel van mijn lezer, als ik ervan uitga dat hij alle juridische ins- en outs kent. Ik zal dus moeten beginnen bij het begin. De tekst van de originele referendumwet (Wrr) staat hier. Let vooral op de artikelen 4 en 5: volgens artikel 4 mag zo’n beetje overal een (raadgevend) referendum over worden gehouden. In artikel 5 wordt opgesomd welke wetten en verdragen daarvan zijn uitgezonderd. Merk vooral ook op, dat er geen ‘afsluitende’ bepaling bij staat die ervoor zorgt dat de wetgever – in de gevallen dat het hem goeddunkt – kan bepalen dat een wet ‘niet-referendabel’ is. Dat recht heeft de wetgever zichzelf niet gegeven. [En het zou ook bizar zijn om dat te doen; een dergelijke bepaling maakt de wet zelf immers op voorhand zinloos.] [Nb.: in het advies van de Raad van State – zie onder –  wordt in noot 17 vermeld dat dit in de toelichting op de Wrr wel aan de orde is geweest].

Het tweede stuk dat van belang is, is de intrekkingswet zelf. Die is hier te vinden, samen met de begeleidende brief aan de kamer. De belangrijke artikelen zijn hier artikel V en artikel VI. In artikel V wordt bepaald dat de intrekkingswet niet referendabel is. In artikel VI wordt voor de aangenomen wet terugwerkende kracht bepaald, zodanig dat er geen enkel moment kan ontstaan dat iemand [nadat de intrekkingswet is aangenomen, maar voordat de intrekkingswet in werking treedt] alsnog een referendum over deze wet kan aanvragen.

In zijn blog besteedt hoogleraar Wim Voermans uitgebreid aandacht aan de juridische aspecten van deze constructie.

Mijn kritiek, mijn invalshoek is enigszins anders.

Maar voor ik in detail treed, is er nog een belangrijk stuk, en dat is het advies van de Raad van State (RvS). Dat is hier te vinden. De RvS toetst of een wetsvoorstel niet op gespannen voet staat met de grondwet. Dat blijkt hier niet het geval te zijn, hoewel de RvS kritisch is over de motivatie voor deze wet.

Nu zijn de puzzelstukjes bijna compleet. Het bijzondere aan de intrekkingswet zit hem in de procedurele artikelen, de genoemde artikelen V en VI. Deze dienen geen enkel inhoudelijk doel, ze zijn er (in hun samenhang) enkel en alleen op gericht op te voorkomen dat er over deze intrekkingswet een referendum wordt gehouden. Ze gaan louter over de procedure van de totstandkoming van de onderhavige wet.  Dergelijke procedurele artikelen zijn zeldzaam, en dat heeft een reden. De normale procedure voor de totstandkoming van een wet is vastgelegd in de grondwet. Vandaar ook dat de RvS kijkt hoe een nieuwe wet zich tot die grondwet verhoudt. Het zou bijvoorbeeld ongrondwettelijk zijn om, als procedurele bepaling, op te nemen dat een wet niet door de 1ste kamer hoeft, of dat hij niet door de Kroon hoeft te worden ondertekend. De RvS zou in zo’n geval negatief adviseren.

Maar in dit geval is er sprake van een procedure (nl. het referendum) die niet in de grondwet staat, maar deel uitmaakt van het bestuursrecht. Terecht merkt de RvS op, dat het de wetgever vrij staat om deze referendumwet door middel van een artikel terzijde te schuiven, omdat deze al bestaande wet niet per definitie hoger staat dan de nieuwe voorgenomen wet. Het (grondwettelijk) recht om deze intrekkingswet in te dienen en aan te nemen bestaat dus, en dat is de vraag die de RvS moest beantwoorden. De artikelen V en VI zijn niet in strijd met de grondwet. [Voermans heeft hier nog wel wat kanttekeningen bij, het is niet zo eenvoudig als de RvS het stelt].

Zelfs als de RvS juridisch correct heeft geadviseerd, heeft toch een groot deel van Nederland het idee dat hier een juridisch kunstje wordt geflikt: het is uitermate onlogisch dat juist de wet over het afschaffen van de referendum wet expliciet immuun is gemaakt voor een referendum, zeker als je bedenkt dat uit kiesgedrag en uit enquêtes blijkt dat een groot deel van de stemgerechtigden het referendum – hoe beperkt in opzet ook – niet kwijt wil. Het wekt de indruk dat ‘Den Haag’ liever helemaal niet wil worden geconfronteerd met de raadgevingen van de kiezers, en daarom deze faciliteit zo snel mogelijk wil dumpen. Het wekt de indruk dat ‘Den Haag’ zelf ook wel weet dat, als er een referendum gehouden zou worden over de intrekkingswet, er hoogstwaarschijnlijk een meerderheid is voor het behoud van dit referendum. Met andere woorden: ‘Den Haag’ heeft eigenlijk maling aan de mening van de bevolking, en is daarmee wezenlijk antidemocratisch. Immers: als jouw intrekkingswet zo goed is, dan moet je toch in staat zijn om de meerderheid van de bevolking daarvan te overtuigen? Maar blijkbaar willen ze het daar niet op aan laten komen. Kortom: hier wordt de kiezer opzettelijk terzijde geschoven. Zelfs als het technisch-juridisch helemaal correct is. Dat is in elk geval het gevoel.

Dit gevoel sluit aan bij, wat juridisch heet, ‘Misbruik van Recht’. (Burger Wetboek 3, art 13):

Artikel 13
1
Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
2
Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
3
Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.

De Wetgever [regering + Staten Generaal gezamenlijk] heeft, gegeven de grondwet hoofdstuk 5 (art. 81 – 89), de unieke bevoegdheid om langs een welbepaalde procedure wetten tot stand te laten komen. Zij zet die bevoegdheid nu in om mensen te schaden in hun gerechtvaardigd belang, nl. het houden van een raadgevend referendum over de intrekkingswet. De artikelen V en VI hebben ook geen ander doel dan dat: het blokkeren van een referendum. Een andere invalshoek op hetzelfde idee: de wetgever misbruikt zijn macht enkel om de bestaande wet te omzeilen. Immers: in de referendumwet zelf is niet de mogelijkheid opgenomen om in voorkomende gevallen een aangenomen wet ‘niet-referendabel’ te verklaren. Er is een nieuw wetsartikel voor nodig om dit toch voor elkaar te krijgen. De wetgever heeft weliswaar de bevoegdheid om dit artikel te maken, maar hij misbruikt zijn bevoegdheid om de bestaande wet te ontduiken. De wetgever heeft zijn bevoegdheid niet gekregen om hem in staat te stellen de wet te ontduiken.

Het achterliggende probleem is dat de wetgever twee dingen in één probeert te doen: en de intrekkingswet zelf, en de procedure waarlangs die wet tot stand moet komen. Als je het technisch netjes wilt doen, moet je éérst de bestaande referendumwet wijzigen, zodanig dat de mogelijkheid ontstaat om een wet ‘niet referendabel’ te verklaren, en vervolgens maak je gebruik van deze nieuw gecreëerde mogelijkheid om de Wrr te annuleren. Het risico is dan natuurlijk wel dat er een referendum wordt georganiseerd om die eerste wetswijziging tegen te houden.

Kortom: ik zou wel willen pleiten voor een proefproces. De vraag aan de rechter is niet om de intrekkingswet te toetsen aan de grondwet (want dat mag hij niet).  De vraag is ook niet of de wetgever grondwettelijk gezien buiten zijn boekje gaat (want dat doet die niet, gegeven de RvS). De vraag is of de wetgever in civielrechtelijke zin buiten zijn boekje gaat, als hij zijn recht om wetten te maken gebruikt om een bestaande wet te duiken – ook als dat een wet uit het bestuursrecht betreft. De bevoegdheid wordt immers gebruikt puur en alleen om een groep burgers in zijn belang te schaden – en dat mag niet, gegeven BW3:13. En omdat dit civiel recht betreft, is het ook niet eerder getoetst door de RvS, dus de vraag ligt echt nog open. Laat de civiele rechter (of misschien de bestuursrechter?) maar uitmaken of hier misbruik van recht wordt gemaakt, of dat de bevoegdheid tot het maken van wetten per definitie niet misbruikt kan worden.

De eis van mijn proefproces wordt dan natuurlijk: maak een wet die de intrekkingswet (die dan immers al van kracht is) weer intrekt. Met één groot voordeel: de intrekkingswet ‘intrekkingswet’ is in elk geval niet referendabel.

 

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het Zwarte Pieten debat

Eigenlijk wil ik me helemaal niet mengen in die jaarlijks terugkerende zwarte-pieten discussie. Voor je het weet krijg je allerhande verwijten naar je hoofd geslingerd waar je niet op zit te wachten, of – net zo erg – krijg je bijval van mensen met argumenten die je absoluut niet onderschrijft. Toch irriteert dit jaarlijkse ritueel van elkaar te vuur en te paard bestrijdende partijen mij mateloos. De vraag is: waarom? Wat hieraan irriteert precies? Is het de vorm van het debat of is het de inhoud?
De hoofdstelling van de tegenstanders van Zwarte Piet is, dat deze fictieve figuur aanzet tot discriminatie op basis van huidskleur / een uiting is van een houding die minimaal deze vorm van discriminatie niet afkeurt. Dit wordt tot uiting gebracht in de leus: ‘Zwarte Piet is racisme’.
Wat zijn hiervoor de argumenten?
Het belangrijkste argument is denk ik de huidskleur van dit personage (beter: deze groep personages). Zwarte Piet is per definitie zwart. De huidskleur van een fictief personage lijkt me echter op zich geen argument voor wat dan ook, totdat dat personage wordt verbonden met een aantal andere karakteristieken die als positief of negatief worden gewaardeerd. Het kan niet zo zijn dat ieder ‘zwart’ personage in fictie per definitie een uiting is van discriminatie. In dat geval zou ‘Mickey Mouse is racisme’ ook een zinvolle kreet zijn. Variaties genoeg: in Duckstad zijn alle eenden wit, zijn alle negatieve personages afgebeeld als (lichtgetinte) hond (de zware jongens, Bolsterbast), is de enige grootkapitalist (Dagobert) een blanke man van middelbare leeftijd. Hoe rolbevestigend/clichématig/discriminerend kun je zijn? Toch roept dat hier te lande nauwelijks weerstand op. Huidskleur alleen kan dus het criterium niet zijn. De huidskleur moet consequent in verband gebracht worden met iets anders, voordat er sprake kan zijn van stereotypering.
Wordt de figuur van ZP dan uitgebeeld met een negatieve karakteristiek, is het een misdadig, achterbaks, minderwaardig, agressief of anderszins negatief of verwerpelijk persoon? Ik kan het in de hedendaagse ZP niet ontdekken: het zijn jonge, sociale, energieke, welwillende mensen, ze werken hard, ze hebben de beste bedoelingen, ze zijn in het algemeen niet dom, ze zijn in geen enkel opzicht crimineel of lui. Binnen het ZP-bestand lijkt er wel sprake van leeftijdsdiscriminatie (bijna niemand ouder dan 40), discriminatie van gehandicapten (waarom zou de gedichtenpiet niet in een rolstoel zitten, zou de muziekpiet niet blind kunnen zijn), is er sprake van een angstvallige geslachtloosheid (Sommige Pieten worden zichtbaar door vrouwen gespeeld, maar het lijkt wel alsof vrouwen in dit universum niet mogen bestaan, laat staan dat gender een rol speelt), en mogelijk ook van positieve discriminatie naar huidskleur (blanke sollicitanten krijgen deze baan blijkbaar niet, of huidskleur lijkt bij de beroepskwalificaties te horen). Maar dit zijn niet de argumenten die ik hoor, hier gaat het debat niet over. Het gaat niet over het human-resource-management van de BV Sinterklaas. Het gaat over ZP als negatieve stereotypering van de donker getinte mens. Eigenlijk kan ik met de beste wil van de wereld niet zien hoe de figuur van ZP een vorm van negatieve stereotypering van de donker getinte mens zou moeten zijn. Er is weinig tot niets aan ZP dat ik als negatief ervaar. [afterthought: wellicht zijn Pieten wat kinderlijk in hun gedrag en de manier waarop ze omgaan met problemen, maar dat is eigen aan deze vorm van fictie. Iedereen in de wereld van de fictie hanteert een nogal kinderlijke logica, dat beperkt zich niet tot de Pieten] Tot de zeventiger jaren speelden de roe en de zak nog een rol, bij de bestraffing van ‘stoute kinderen’, maar dat element is nagenoeg verdwenen. Piet wordt ook door kinderen bij mijn weten niet ervaren als een negatieve of angstaanjagende figuur. Ze zijn nog eerder bang voor die oude, eerbiedwaardige en afstandelijke autoriteitsfiguur van Sinterklaas, dan voor Zwarte Piet. In mijn ogen faalt daarom het argument van de negatieve stereotypering op basis van huidskleur.
Een ander argument is de relatie met slavernij. Hier kan ik kort over zijn: historisch ligt die relatie er niet of nauwelijks. Als die relatie er al ligt is het, dat de schrijvers en makers rond 1850 voorstander waren van het afschaffen van de slavernij. Het kostuum van ZP verwijst naar de Moorse pages uit de 16de eeuw. Het uiterlijk (zeer donkere huidskleur, kroeshaar, volle rode lippen) verwijst ook eerder naar de Moren uit Spanje, dan naar de Afrikaanse slaven uit Ghana en omstreken. Ook inhoudelijk ligt de band ‘Spanje – Moren – Sinterklaas’ meer voor de hand dan de relatie ‘West-Afrika – Slaven – Sinterklaas’. De betrekking tussen Sinterklaas en zijn Pieten is niet redelijkerwijs te karakteriseren als de relatie tussen een slavenhouder en zijn slaven. Het slavernij-argument houdt dus mijns inziens geen stand. (Overigens kan ik het standpunt van de anti-ZP hier niet volgen. Stel dat ZP wel zou verwijzen naar de Nederlandse betrokkenheid bij de slavenhandel. Zou dat dan worden opgelost door Piet een ander kleurtje te geven? Ik denk dat je dit toch zou kwalificeren als het onderschoffelen of ontkennen van dat verleden. Maar dat is juist niet wat de nakomelingen van voormalige slaven willen, die willen juist een erkenning van dit hoofdstuk van de geschiedenis.)
Toch brengt bovenstaand slavernij-argument mij dichter bij mijn bron van irritatie. Het anti-ZP kamp ervaart namelijk wel degelijk een verwijzing naar slavernij – zelfs als met een keur aan argumenten kan worden aangetoond dat die relatie, in elk geval historisch, niet bestaat. Dit illustreert een vrij algemene misvatting, namelijk dat de betekenis van een woord, een afbeelding, een gebruik, een boek, een ritueel is vastgelegd in dat woord/afbeelding/gebruik/boek/ritueel zelf. Dat is niet zo. Betekenis komt tot stand op het moment dat het teken (woord/boek/ etc.) in contact komt met een gebruiker, iemand die er actief betekenis aan verleent. Daarbij neemt hij zijn eigen geschiedenis en achtergrond en verwachtingen mee. Freud was in staat om overal seks in te zien, sommige religieuze mensen kunnen in alles de hand van de schepper zien, en mensen die mentaal bezig zijn met discriminatie en slavernij hebben weinig nodig om dat overal te herkennen. Het zegt misschien meer over henzelf dan over de zaken die ze aankaarten. Dat iemand discriminatie of slavernij ontwaart in het sinterklaasfeest, houdt niet noodzakelijkerwijs in dat de mensen die dat feest vormgeven, noch de mensen die er plezier aan beleven, bezig zijn (bewust of onbewust) met discriminatie of slavernij, noch dat die het actief of passief goedkeuren. Voor de meeste Nederlandse sinterklaasvierders heeft het één simpelweg niets met het ander te maken. Ongeveer zoals ze de Sint zelf ook niet wordt ervaren als propaganda voor het katholicisme.
Toch hebben de tegenstanders van ZP hier wel een punt als ze zeggen dat ze ervaren dat ze worden gediscrimineerd, omdat ze vanwege hun uiterlijk worden vergeleken met Zwarte Piet. Zij rapporteren dit zelf, en ik ben niet in een positie om hun waarnemingen te diskwalificeren: als zij dat zo ervaren dan is dat zo. Maar dan komt de grote vraag: wordt dit probleem de wereld uit geholpen als we de huidskleur van de ZP-figuur aanpassen? Ik denk het niet. Wie een ander wil discrimineren zal altijd een vocabulaire kunnen vinden om dat te doen. Als het element ZP uit dat culturele vocabulaire wordt verwijderd (zo dat al kan), komt er ongetwijfeld een ander begrip voor in de plaats. Als we discriminatie of racisme willen aanpakken, moeten we in de eerste plaats de mensen aanpakken die zich hieraan schuldig maken. Het aanpakken van de traditie waar het vocabulaire dat zij gebruiken naar verwijst, is mijns inziens geen werkbare strategie.
Maar nog altijd is dat wat mij betreft niet de kern van het probleem. Immers: ik hecht niet bijzonder aan dit feest, dus de pragmatische desinteresse-optie ligt voor de hand: als er nou een groep Nederlanders is die er moeite mee heeft, en je hecht er niet bijzonder aan – waarom dan niet het feest aangepast. Iedereen tevreden, toch? Aan de inhoud van het feest hoeft het geen afbreuk te doen: zelfs als we het zouden ombouwen naar Neptunus (ook een baard, de staf wordt een drietand) bijgestaan door dolfijnen of kikkers (vrolijk, acrobatiek) die zijn cadeaus verspreidt via de waterleiding, en ze dus achterlaat bij het toilet of bij de douche, verzin maar wat, ook dan zou het een geweldig kinderfeest kunnen zijn, zonder dat er iemand denkt aan discriminatie of racisme of slavernij. Dus: waarom niet? Waarom niet de desinteresse optie? Antwoord: omdat dat het werkelijke probleem niet oplost. Het gaat denk ik niet primair over discriminatie en racisme, het gaat over de vraag wie bepaalt hoe de sociale werkelijkheid moeten worden begrepen. Een kleine groep mensen heeft een specifieke opvatting over de sociale werkelijkheid van het sinterklaasfeest en dringt haar interpretatie op aan een meerderheid die er anders over denkt. Een meerderheid die eerst geen discriminatie in het feest zag, wordt door continue herhaling in de media bijna gedwongen om het voortaan wel als discriminatie te gaan ervaren. Er wordt niet zozeer een bestaande kwalijke praktijk benoemd en bestreden, maar juist door het benoemen en bestrijden wordt die praktijk (zelfs met terugwerkende kracht) gecreëerd. De betekenis van het feest wordt door discussie zelf veranderd. De vorm (publiek debat) bepaalt de inhoud (de betekenis die men aan het feest geeft). Op het moment dat het gelukt de betekenis te veranderen staat er niets aan in de weg om een volgende traditie, een andere talige conventie, een andere cultuurelement op de korrel te nemen. Een minderheid met een preoccupatie die optreedt als gedachtenpolitie voor een meerderheid. Een krampachtige vorm van (zelf-)censuur op alles wat begrepen zou kunnen worden als een vorm van discriminatie. We hebben hier te maken met een minderheid met zendingsdrang.
Het beste voorbeeld hiervan lijkt me het incident rond de intocht in Dokkum. De lokale bevolking ervaart ZP niet als een zodanig probleem dat men hiertegen in groten getale wil demonstreren. In plaats daarvan komt een delegatie uit de randstad (waar de anti-ZP de strijd al gewonnen heeft) met bussen naar het achterland om daar het eigen geluid te proclameren. Dit is een zendingsdrang die ik verder eigenlijk alleen uit het katholicisme ken: het maakt juist deel uit van de mentaliteit die slavernij mogelijk maakte. Zie daar de dieper liggende paradox van het ZP-debat. Het inhoudelijke debat lijkt te gaan over gelijkheid en/of gelijkwaardigheid van mensen, maar het absolute gelijk van de anti-ZP suggereert dat hun eigen gelijk toch net een treetje hoger staat dan dat van de rest van Nederland. Die voelt heel fijn aan dat ze op oneigenlijke wijze een gedachtengoed in de schoenen geschoven krijgt, een gedachtengoed dat ze enerzijds wel degelijk afkeuren, maar anderzijds ook geheel niet associëren met het sinterklaasfeest zoals zij dat ervaren. Het is bovendien onmogelijk om je te verweren tegen de beschuldiging dat je, onbewust en zonder dat je het weet, eigenlijk racistisch bent, alleen omdat je een bepaalde traditie opvat als onschuldig. Op dat moment wordt het ook lastig om nog een echte dialoog aan te gaan. Als de anti-ZP beweging dan (in de ogen van pro-ZP) op provocerende wijze aanwezig wil zijn bij het hoogtepunt van het feest, is dat een goed beginpunt voor een escalatie. Die escalatie leidt naar meer media aandacht, waarbij keer op keer wordt verkondigd dat Zwarte Piet racisme is, waardoor de anti-ZP zijn definitie van de werkelijkheid er weer verder doordrukt. Herhaling is het sleutelbegrip, als het erom gaat de werkelijkheid te duiden, en escalatie is een prima manier om je boodschap voor een groot publiek te herhalen. Het is een gevecht dat de pro-ZP niet kan winnen. De boodschap: ‘ik discrimineer niet, ook niet onbewust,’ is net zo sterk als de mededeling dat ‘de steen weliswaar door de ruit is gegaan, maar dat je daar niets maar dan ook helemaal niets mee te maken hebt’. Het kan helemaal waar zijn, maar het klinkt niet geloofwaardig. De boodschap: ‘wij zijn tegen racisme, tegen discriminatie – u toch ook?’ kan haast niet stuk. Zelfs niet als de relatie tussen het feest en het racisme zwak of afwezig is. Het debat gaat niet over discriminatie of racisme, want echt iedereen keurt discriminatie en racisme af. Het debat gaat erover wie mag definiëren wat de werkelijkheid is: de minderheid die zich gediscrimineerd voelt, of een meerderheid die zelfs de associatie met die onderdrukking niet heeft. Wat mij betreft is het losse gegeven dat iemand zich gediscrimineerd (of beledigd, of aangetast in zijn eer, of wat dan ook) voelt niet voldoende om het recht te claimen om de werkelijkheid te mogen definiëren. Daar is echt een betere onderbouwing voor nodig dan de persoonlijke ervaring. Daarvoor is het enkele gegeven dat het ZP-begrip ook kan worden aangewend voor een racistische uiting niet genoeg. Als ik iemand maar hatelijk genoeg uitmaak voor roggebrood kan dat ook racistisch zijn, maar dat is nog geen reden om roggebrood te verbieden. De werkelijkheid is van ons allemaal, en niet van de groep die er het best in slaagt om de media in te zetten voor zijn eigen versie daarvan.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Basisinkomen volgens de rijke dames

Laat er geen misverstand over bestaan: het basisinkomen is ingewikkelde materie. Als het gaat over het OBI, het Onvoorwaardelijk Basis Inkomen, gaat het over een inkomen voor iedere burger, een inkomen dat voldoende is om zinvol deel te kunnen nemen aan de samenleving. Een inkomen dat (de naam zegt het al) onvoorwaardelijk is. Met name dat laatste is een enorm verschil met de bestaande voorzieningen in de sociale zekerheid. (Het enige wat er enigszins op lijkt is de AOW.) Het recht op dit inkomen is onafhankelijk van het hebben van een baan of een andere bron van inkomsten, onafhankelijk van het al dan niet hebben van een partner, onafhankelijk van het saldo op je bankrekening of het bezit van een huis. Uiteraard worden er wel enige eisen gesteld, bijvoorbeeld aan nationaliteit en leeftijd, maar die zijn marginaal in vergelijking tot de huidige situatie. Het basisinkomen zou een nieuwe invulling geven aan het begrip sociale zekerheid. Het zou niet alleen in de plaats komen van de bijstand, de AOW, de werkloosheidsuitkering, de studiefinanciering en enige tientallen andere regelingen en voorzieningen, het zou ook een eind moeten maken aan het uiterst gecompliceerde systeem van toeslagen voor van alles en nog wat. Het zou natuurlijk ook een eind moeten maken aan het controlesysteem dat wordt losgelaten op mensen die gebruik maken van al die voorzieningen: als er weinig regels zijn hoeft er immers weinig te worden gecontroleerd. Als er een vorm van OBI wordt ingevoerd heeft dat consequenties voor de arbeidsmarkt, voor de gezondheidszorg, voor het onderwijs en voor nog veel meer. Wat de gevolgen precies zouden zijn weet eigenlijk niemand. Wel is bekend dat een dergelijke ingreep gepaard zou moeten gaan met een ingrijpende herziening van het belastingstelsel. Immers: ook mensen die op dit moment geen beroep doen op de sociale zekerheid zouden dit inkomen krijgen. Een verandering in het belastingstelsel zou ervoor moeten zorgen dat zij per saldo in elk geval hun eigen OBI afdragen, de rijkeren mogelijk zelfs meer dan dat. Er zijn andere varianten denkbaar, zoals een negatieve inkomstenbelasting, maar dit is niet de plaats om in te gaan op de wijze waarop een basisinkomen wordt uitgevoerd en vormgegeven. Het zou hoe dan ook een ingrijpende wijziging betreffen.

Er zijn allerlei redenen om voorstander van het OBI te zijn. Het geeft mensen meer vrijheid om te bepalen hoe ze hun leven inrichten, om zelf te bepalen op welke manier ze willen deelnemen aan de maatschappij. Het verandert de onderhandelingspositie van werknemers, en het verandert de afweging die iemand moet maken tussen meer werk voor meer inkomen enerzijds, of meer vrije tijd anderzijds. Er valt ook te denken aan principiëlere argumenten rond moraal en staatsinrichting. Of meer filosofisch aan argumenten rond beschaving of zingeving. Kortom: dit is een groot en ingewikkeld onderwerp waar al veel over gezegd is, waar boeken over vol geschreven zijn, waar heel veel mensen aan gerekend hebben. En er komt ongetwijfeld nog veel meer.

Onlangs heeft het Basisinkomen er twee nogal prominente voorvechters bij gekregen. Antoinette Hertsenberg en Annemarie van Gaal. Ze waren te gast bij Jeroen Pauw om hun ideeën uit te dragen. In eerste instantie lijkt dat heel sympathiek, maar bij nadere beschouwing blijkt dit reuze mee te vallen. Ik bespreek de visies van deze dames los van elkaar.

//media-service.vara.nl/player.php?id=379202

Wat is nu precies het betoog van Antoinette?

(00:52 – 1:39)  Ik maakte een reportage (…) over oudere werklozen, en het raakte me heel erg hoe uitzichtloos de situatie is voor oudere werklozen. En ik had me niet gerealiseerd, dat als je kijkt naar de vervulling van nieuwe vacatures, dat de kans dat een oudere werkloze van 55 jaar en ouder nog maar 3 procent is dat die aan het werk komt. En dat we evengoed die mensen dwingen elke maand tientallen sollicitatiebrieven te laten schrijven. We verbieden ze om vrijwilligerswerk te gaan doen, waar ze zich nuttig zouden kunnen voelen. Want ze moeten beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Wat niet gaat lukken, want 97 procent lukt dat niet. En wij vonden, wij waren zelf geraakt door het onderwerp en dachten: als we nou een mogelijke oplossing zien, dan willen we eigenlijk mensen de kans creëren dat mensen kunnen zeggen: ja ik wil een signaal afgeven aan de politiek, en dan willen wij dat signaal doorgeven.

Het komt er nogal onbeholpen uit, dus ik vat het nog even samen. Ze heeft dus gesignaleerd (1) dat er sprake is van een zekere leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt, en ze ziet (2) dat mensen onder druk worden gezet om te solliciteren en om beschikbaar te blijven voor de arbeidsmarkt, hoewel hun kansen op betaalde arbeid uiterst klein zijn. Commentaar: Dit laatste onderdeel is niet specifiek voor de oudere werkzoekende: ook anderen die nagenoeg kansloos zijn – om wat voor reden dan ook – worden door Sociale Diensten zwaar onder druk gezet om veel te solliciteren. Ook die ervaren dat als zinloos, vernederend en slecht voor de geestelijke gezondheid. Dit gegeven is al meer dan 10 jaar bekend. Als je daar nu pas achter komt heb je onder een steen geleefd. Antoinette en haar redactie worden hier pas nu, nu het specifiek een groep van oudere werklozen betreft, dusdanig door geraakt dat ze tot actie overgaan. De vraag rijst waarom dit onrecht niet eerder is aangekaart. Ik kom daar nog op terug.

Na een vraag van Jeroen Pauw gaat ze in op de motivatie en positie van haar doelgroep: 01:55  – 02:30.  Ze zijn heel actief, ze zijn, ze willen heel erg graag werken, [maar] ze komen er niet tussen. Ook bij 55-plussers gaat het op dit moment ietsjes beter omdat de hele economie aantrekt, dat zal ik zeker niet ontkennen, maar je zal ook zien: zo gauw die economie minder gaat, is deze groep als eerste de klos. Ik weet het niet. Het is misschien het ophemelen van de jeugd, wat heel erg belangrijk is. Mensen willen altijd jonge mensen en jonge mensen zijn ook leuk en het is ook leuk om jonge mensen in te werken. Maar we vergeten echt een groep mensen die zeer belangrijk kan zijn, en die er gewoon niet meer tussen komt.

De groep wordt dus geportretteerd als slachtoffer van een voorkeur voor jeugdiger personeel. Aan motivatie schort het bij deze oudere werklozen niet. De positie op de arbeidsmarkt is zwak: nu gaat het weliswaar even beter, maar als het even tegen zit vliegen ze er als eerste uit.

Antoinette vervolgt haar betoog met een schrijnend voorbeeld (4:14 – 4:42) uit haar programma. De geïnterviewde man maakt gebruik van de bijstand. Hij vertelt dat hij er op inkomen op achteruit gaat (ten opzichte van het bijstandsniveau) met soms meer dan € 200,- per maand, enkel en alleen ten gevolge van het feit dat hij een aantal uren heeft gewerkt.

Na dit fragment verschaft Antoinette ons enige achtergrondinformatie (04:42 – 06:50):

  • deze man heeft een bijstandsuitkering
  • hij heeft drie 0-uren contracten, hij probeert te werken wat hij kan
  • het systeem in Nederland is zo razend ingewikkeld dat (ten gevolge van het betalen van loonheffing?) hij er uiteindelijk € 180,- per maand op achteruit gaat als hij werkt
  • deze mijnheer had een koopsompolis aangeschaft
  • die koopsompolis zou in 2022 gegarandeerd € 56.000 uitbetalen
  • zodra hij een bijstandsuitkering aanvraagt wordt gekeken hoeveel vermogen hij heeft
  • in 2013 heeft hij een hele hoge tandartsrekening
  • hij koopt zijn koopsompolis af, om daarmee zijn tandartsrekening te voldoen. Omdat het bedrag nog niet de volle tijd heeft gerendeerd, krijgt hij geen € 56.000, maar slechts € 36.000
  • over dat bedrag moet hij inkomstenbelasting betalen: 50%. Hij moet wegens vervroegd afkopen 20 procent boeterente betalen
  • nadat de tandarts is betaald blijft er vrijwel niets over van het bedrag van de koopsompolis
  • daarna vordert de belasting een aantal reeds uitgekeerde toeslagen terug: door het incasseren van zijn koopsompolis was zijn inkomen dat jaar blijkbaar dermate hoog, dat hij geen recht had op deze toeslagen
  • dat geld heeft hij niet meer. Hij heeft nu € 4.500,- schuld (bij de belastingdienst)
  • de schuldhulpverlening is niet bereid of in staat om hem van die schuld af te helpen

De duiding van deze casus is:

  • iemand die graag wil werken wordt daarvoor gestraft, omdat hij er wat betreft inkomen op achteruit kan gaan t.o.v. het bijstandsniveau.
  • iemand die geprobeerd heeft om zorg te dragen voor zijn eigen toekomst wordt daarvoor gestraft: hij meende een appeltje voor de dorst te hebben, en hij blijft achter met een schuld.

Dit lijkt een zeer triest geval, iedereen snapt direct dat dit niet te snappen valt, dat hier een welwillende burger onrecht wordt gedaan. Maar bij nadere beschouwing vallen wel een paar dingen op:

  • Het eerste probleem – discriminatie op de arbeidsmarkt – speelt hier blijkbaar minder, want de man slaagt erin om door middel van 0-uren contracten betaalde arbeid te verrichten. De beruchte sollicitatieplicht speelt in dit fragment geen zichtbare rol.
  • Het wordt niet duidelijk wanneer hij in de bijstand gekomen is. Zolang hij deze koopsompolis heeft komt hij (wegens de vermogenstoets) hoogstwaarschijnlijk niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering.
  • Bij het aanvragen van toeslagen geef je een indicatie van het jaarinkomen dat je het komende jaar verwacht. Blijkbaar heeft deze persoon bij het verstrekken van de gegevens niet meegenomen dat hij zijn koopsompolis zou beëindigen. Had hij dat wel gedaan, dan waren de bedragen voor de toeslagen niet toegekend, en dan zouden ze ook niet worden teruggevorderd. Misschien heeft hij dus een fout gemaakt.
  • Er wordt gedaan alsof hij € 20.000 verlies lijdt, wegens het te vroeg afkopen van de polis. Dat is natuurlijk niet zo: pas in 2022 zou het dit bedrag waard zijn. De boeterente kan een tegenvaller zijn, maar dat is een eigenschap van het financiële product dat hij heeft aangeschaft. Het is oneigenlijk om het bedrag dat hij krijgt te vergelijken met het bedrag dat hij verwacht had over een aantal jaren te krijgen. Dit is geen ‘verlies’ in de strikte zin van het  woord.
  • Dat de belasting langskomt kan toch geen verassing geweest zijn. Een koopsompolis is, net als pensioen, een regeling van uitgesteld inkomen. Je koopt een polis, en de aankoopsom mag je aftrekken van je belasting. Je draagt dat jaar dus minder belasting af over een bedrag dat anders in de hoogste tariefgroep zou vallen.  De consequentie is dat het bedrag van de polis inkomen wordt op het moment dat wordt uitgekeerd. Natuurlijk had de man erop gerekend dat pas zou worden uitgekeerd als hij met pensioen was, en dus in een lager tarief van inkomstenbelasting zou vallen. Met andere woorden: hij probeerde (geheel legaal overigens) belasting te ontwijken, en dat is door omstandigheden niet gelukt.
  • Er wordt gesteld dat hij 50 procent belasting over het te incasseren bedrag moest afdragen. Als dat zo is, moet hij dat jaar ook andere inkomsten hebben gehad. Het hoge tarief geldt immers alleen voor het topje van de inkomsten.
  • Er wordt niet of nauwelijks ingegaan op de armoedeval, die hier wordt gesuggereerd: je werkt, maar in plaats van dat je er daardoor financieel op vooruit gaat, krijg je juist minder te besteden. Hoe kan dat precies? Het verhaal is hier onduidelijk. Verschillende werkgevers dragen iets af, waardoor hij erop achteruit gaat. Dat kan misschien gebeuren (het systeem is inderdaad ingewikkeld), maar mogelijk is daar ook iets aan te doen, bijvoorbeeld door achteraf bedragen terug te vragen bij de belastingdienst. In principe zou de Sociale Dienst ervoor moeten zorgen dat hij niet onder het bijstandsniveau zakt. Of heeft het misschien weer te maken met die toeslagen? Of met een afbetalingsregeling met de belasting? De gegevens die we krijgen zijn eigenlijk te schetsmatig om een goed oordeel te vormen. In het filmpje wordt druk gewezen naar een zelfgemaakt excel-sheet. (04:26) De meest voorkomende oorzaak van de armoedeval, nl. dat er een grens wordt overschreden waardoor het recht op toeslagen vervalt, komt er niet in voor. Wie het screenshot daarvan bestudeert ziet op het eerste gezicht niets bijzonders: zijn inkomsten worden gekort op zijn uitkering. Bedoelt de man misschien dat hij financieel niet beter wordt van zijn arbeid? Dat is iets anders dan erop achteruit gaan.

Uiteindelijk is het dus moeilijk om te beoordelen wat hier precies aan de hand is. Als de man in het voorbeeld last heeft van de armoedeval is dat een probleem dat zeker moet worden aangekaart, maar met zijn leeftijd heeft dat niets te maken. Het lijkt er echter op, dat Antoinette pleit voor een regelluwe bijstand speciaal voor ouderen. Regelluw, niet alleen met betrekking tot sollicitatieplicht en/of met betrekking tot het recht om betaalde arbeid te verrichten waarvan de inkomsten niet in mindering worden gebracht op de uitkering. So far so good. Maar misschien pleit ze ook wel voor regelluw met betrekking tot de vermogenstoets. Om het ‘onrecht’ te voorkomen dat hij eerst zijn oudedagsreserve (zoals vertegenwoordigd door koopsompolis) moest besteden alvorens hij recht had op bijstand. Dat althans is de toon waarop er bij Pauw over wordt gepraat: deze man had het goed voor elkaar, en nu wordt hij ‘gestraft’ omdat hij goed voor zichzelf had gezorgd. Dit staat echter haaks op het gedachtengoed dat wordt gehanteerd voor alle andere groepen die een beroep doen op de bijstand. Daar geldt namelijk wel dat je eerst moet interen op je reserves (tot een bepaald bedrag) alvorens je bijstand krijgt. Je hebt immers pas recht op bijstand als je dit geld echt nodig hebt om te overleven, en zolang je nog flinke reserves hebt, heb je andere mogelijkheden dan de bijstand om je huur en je eten te betalen. Het wordt mij niet duidelijk waarom de man uit het voorbeeld, met betrekking tot zijn reserves, anders zou moeten worden behandeld dan willekeurig welke ander die een bijstandsuitkering aanvraagt. Alleen op grond van zijn leeftijd? Omdat hij zich de loop der dingen anders had voorgesteld? Omdat hij zijn reserves liever bewaart totdat hij met pensioen gaat?
Het meest wonderlijk aan dit voorbeeld is echter, dat veel van het ‘onrecht’ dat deze man wordt aangedaan, niet zou zijn voorkomen bij het basisinkomen. Ook dan had de tandarts betaald moeten worden, ook dan had zijn koopsompolis minder opgeleverd dan bij de volledige looptijd, ook dan was er boeterente geweest, ook dan was er inkomstenbelasting geheven op het vrijgekomen bedrag. Mogelijk zelfs meer dan die 50 procent die hij noemt. Bovendien zou zijn inkomen al veel eerder een flinke stap omlaag hebben gemaakt: wie zijn baan kwijtraakt heeft bij de huidige wet- en regelgeving eerst een aantal maanden recht op een werkloosheidsuitkering die is gerelateerd aan het laatst verdiende inkomen. Dat is bij een goedbetaalde baan aanzienlijk meer dan het niveau van het basisinkomen, dat ongeveer zou moeten liggen op bijstand plus toeslagen. Kortom: bij de door Antoinette voorgestelde regeling zou hij waarschijnlijk niet beter af zijn geweest. Het enige wat anders zou zijn is dat zijn huidige inkomsten niet in mindering zouden worden gebracht op zijn uitkering: hij zou concreet geld overhouden aan zijn huidige arbeid – hoewel er ook dan belasting over die inkomsten zal worden ingehouden.

Als Antoinette pleit voor een herziening van de bijstand, waarbij er minder druk wordt uitgeoefend om eindeloos te solliciteren op een baan die er toch niet is, dan lijkt mij dat goed te verdedigen. Als ze ervoor pleit dat mensen (beperkt?) mogen bijverdienen als ze bijstand ontvangen, kan ik me daar ook prima in vinden. Als ze er echter voor pleit om iedereen van 55 jaar en ouder een cadeautje te geven van (laten we zeggen) € 1000,- per maand, zonder dat daar een algemeen OBI bij hoort, dan vind ik het een onbegrijpelijk en slecht voorstel. Als ze ervoor pleit dat deze groep (en deze groep alleen) niet hoeft te voldoen aan de vermogenstoets om toch een gegarandeerd inkomen te hebben, ben ik daartegen: het is me niet duidelijk op grond waarvan je deze groep dit voordeel zou moeten geven. De regeling als geheel lijkt me nogal buiten proportie. Je lost het probleem van een kleine groep mensen op, door een grote groep mensen vrij te stellen van een aantal regels die voor de rest van de maatschappij wel blijven gelden. Dat leidt tot een herverdelingsoperatie in de richting van een groep die het, over het algemeen gesproken, helemaal niet zo slecht heeft.

Bij Antoinette is het nog mogelijk om te denken dat ze gewoon de term ‘basisinkomen’ gebruikt waar ze eigenlijk iets anders bedoelt. Feitelijk pleit ze voor een regelluwe/sollicitatievrije bijstand voor ouderen, met het recht om (beperkt?) bij te verdienen. Ze heeft hier de term ‘basisinkomen’ op geplakt, maar dat is eigenlijk een misvatting. Bij Annemarie van Gaal is het moeilijker om vol te houden dat het niet meer is dan een kwestie van slordig denkwerk en het verkeerd gebruik van een woord. Wat beweert Annemarie precies?

Zij komt met een fictief voorbeeld (02:55 – 03:55) Wat mij zoveel pijn doet, is als iemand werkloos wordt, heeft een eigen huis, vrijwel afgelost, en die komt ook niet meer in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Omdat hij teveel eigen bezit heeft. En dan denk ik: je hebt je hele leven keihard gewerkt, (…) [Interventie van Jeroen Pauw] (…)  Ja, en dan zou die het huis moeten verkopen, dan moet ie naar een huurhuis, komt niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering, [Jeroen: omdat je teveel geld hebt, vanwege dat huis]. Later in het gesprek gaat Antoinette door op dit voorbeeld, direct nadat ze heeft beweerd dat de bijstand eigenlijk al een soort basisinkomen is (09:10 – 09:35) (…) … dus ik vraag me af of het zoveel duurder wordt. Want: we geven mensen nu ook huurtoeslag. We laten eerst die mensen, die hun huis al afbetaald hebben, en die dus eigenlijk heel weinig maandelijkse lasten kwijt zijn aan hun woongenot, hun huis verkopen. Vervolgens moeten ze op de dure huurmarkt een huis huren, en dan gaan we daar een huurtoeslag voor geven. (…)

Uit deze passage blijkt, dat de mensen aan tafel niet precies weten hoe de bijstand werkt. Als je een huis bezit en een beroep op de bijstand moet doen, hoef je je huis niet direct te verkopen. Het geld dat wordt uitgekeerd in het kader van de bijstand wordt dan gezien als een lening. Op het moment dat je je huis verkoopt moet je die lening inlossen. Je teert dus wel in op je kapitaal, maar je hebt er niet direct last van. Dit is wat er gebeurt als je huis (goeddeels) is afgelost. (Uiteraard heb je nog altijd woonlasten aan onderhoud, verzekeringen etc. Je moet die wel kunnen blijven betalen vanuit je bijstandsbudget, en dat zal soms niet meevallen). Het wordt anders als je bij een koophuis nog een grote rente-of aflossingsverplichting hebt, een verplichting waaraan je met een bijstandsinkomen niet kunt blijven voldoen. In dat geval kan de bank je ertoe dwingen om je huis te verkopen. Dat heeft echter niets te maken met de regels van de bijstand, maar met het evenwicht in inkomsten en uitgaven op bijstandsniveau. Als je boven je stand woont moet je verhuizen – dat moet iedereen. Daarna wordt door Antoinette de stap naar het huurhuis gemaakt. Het kan moeilijk zijn om een goedkoop huurhuis te bemachtigen, de wachtlijsten zijn immers lang. Echter: als je op de dure huurmarkt zit, de vrije sector, dan heb je hoogstwaarschijnlijk geen recht op huurtoeslag – daarvoor is je huur dan te hoog. Als je op bijstandsniveau zit, kun je je een dergelijke woning niet permitteren.

Algemeen is, blijkens de instemmende geluiden en de lichaamstaal, het gevoelen aan de tafel, dat het eigenlijk onrechtvaardig is als mensen hun huis moeten verkopen of hun koopsompolissen moeten cashen alvorens ze recht krijgen op een bijstandsuitkering. Ook Jeroen Pauw zelf, die toch als neutrale gespreksleider zou moeten functioneren en wellicht ook ruimte zou moeten creëren voor een kritisch tegengeluid, lijkt deze mening toegedaan. Maar gelukkig heeft Annemarie een oplossing, en ze heeft het uitgerekend. We geven iedereen van 60 jaar en ouder een basisinkomen van € 1000,- per maand, en dan mogen ze hun huis houden, maar alle toeslagen (waaronder ook de huurtoeslag) vervallen. Ik kan mij voorstellen dat dat heel bevredigend is voor iemand die woont in een reeds afbetaald huis. Relatief lage woonlasten, en een gegarandeerd bedrag van € 1000,- om van te leven, zonder verdere verplichtingen. Waar het aan de tafel niet over gaat, is de alleenstaande die met een bijstandsuitkering in een huurhuis zit. Die gaat er financieel zwaar op achteruit. De bijstand bedraagt nu al ongeveer € 1000,- euro per maand. Maar zijn huurtoeslag raakt hij kwijt. Een beetje woonruimte in de stad kost al gauw zo’n € 600,- per maand. Zonder toeslagen zal zo iemand gedwongen zijn te verhuizen naar, ja – naar waar eigenlijk?

Wat Annemarie dus voorstelt is een gigantische herverdelingsoperatie van arm naar rijk. Wie in een vorig leven (met behulp van hypotheekrente) een huis bij elkaar heeft kunnen sparen mag daar goedkoop blijven wonen en zijn kinderen een flinke erfenis nalaten. Wie een iets andere levenswandel heeft gehad kan gevoeglijk verrekken. Alle regelingen die bedoeld zijn om iemand binnen boord te houden vervallen, ze moeten verder maar zien hoe ze het redden.

Ik krijg al kijkend de indruk dat alle mensen aan tafel authentiek begaan zijn met het getoonde leed. Omdat ze (bijna) allemaal een modaal inkomen of veel meer dan dat gewend zijn, is het hebben van een huis en een goed pensioen voor hen de normaalste zaak van de wereld. Ook voor hen persoonlijk zou het onrechtvaardig voelen als die dingen vanwege een vorm van ‘pech’ zouden moeten worden ingeleverd, alleen maar om te kunnen blijven eten. Wat zij bezitten ervaren zij als een verworven recht, iets wat niet zomaar mag worden afgepakt. Ze ervaren het niet als een reserve die ze zouden moeten aanspreken als de nood aan de man komt. Vanuit die positie is het ook makkelijk om te sympathiseren met ‘stamgenoten’ die toevallig wel getroffen zijn door de ‘pech’ van baanverlies. Ze kennen mogelijk maar heel weinig mensen die in een andere positie zitten, die minder geluk gehad hebben in het leven, die misschien andere ambities, prioriteiten en talenten hadden. Ze hebben geen idee hoe de bijstand werkt, simpelweg omdat ze het nooit zelf hebben ervaren en ook in hun directe omgeving waarschijnlijk geen mensen kennen die langdurig langs de zijlijn hebben gestaan. Ze zijn erg begaan met hun eigen ‘stam’ en hebben geen diepgaande kennis van andere ‘stammen’.

Als deze dames werkelijk voorstander zijn van een basisloon, dan pakken ze het probleem aan van de verkeerde kant. Als je dan toch een basisinkomen stapsgewijs zou willen invoeren (en dat is wat het OBI is: het is voor iedereen, ook als het in eerste instantie stapsgewijs zou moeten worden ingevoerd), en je wilt het invoeren langs lijnen van leeftijd, dan moet je niet beginnen bij een hoge leeftijd en langzaam omlaag werken. Dan moet je aan de onderkant beginnen en meegroeien. De jonge generatie kan op deze manier opgroeien in een eigen systeem van sociale zekerheid, een manier die alle voordelen en vrijheden van het OBI kent. Deze generatie heeft problemen genoeg, met flexwerk en baanonzekerheid, met naderende robotisering, met onzekere pensioenopbouw, een overspannen woningmarkt, een toenemend aantal burn-out klachten, de verplichting om in een geglobaliseerde wereld te concurreren met alles en iedereen. Een generatie dus met problemen genoeg, die we ook zouden kunnen oplossen met een OBI. Op deze manier kunnen ze makkelijker een studie kiezen in een vak dat ze boeit, kunnen ze makkelijker een eigen bedrijf beginnen, makkelijker concurreren op de internationale arbeidsmarkt, hoeven ze zich niet gedwongen te zien om zich op jeugdige leeftijd over de kop te werken. Dus laten we beginnen met een OBI voor iedereen die geboren is na 31 december 1999. Geen toeslagen, misschien iets andere belastingtarieven, geen stufi, geen administratieve rompslomp. Die oudjes die komen er toch wel, linksom of rechtsom. Misschien moeten ze afstand doen van dingen die ze zeker meenden te bezitten, maar ze bezitten genoeg en daar komen ze echt wel overheen. Ze zullen echt niet verhongeren – daarvoor zijn er voorzieningen als de bijstand.

De jeugd heeft de toekomst. Als de dames (ook) bereid zijn om de bovengeschetste invoering van het OBI te steunen, zijn ze wat mij betreft geloofwaardig. Dan ben je echt voorstander van een basisinkomen, ook als dat niet voor iedereen tegelijkertijd kan worden ingevoerd. In alle andere gevallen hebben ze alleen maar geprobeerd een briljant idee te kapen om te zorgen dat mensen die in het verleden al heel goed voor zichzelf hebben weten te zorgen, ook in de toekomst heel erg goed voor zichzelf kunnen blijven zorgen – ten koste van de rest. Dan willen ze eigenlijk helemaal geen basisinkomen, dan willen ze dat de mensen die in hun werkzame leven veel hebben vergaard hun bezittingen en voorrechten niet kwijtraken. Dat is iets heel anders.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Telemarketeer

Ik kom er rond voor uit: ik heb een contract voor de levering van gas en elektriciteit.  Engie heet mijn leverancier. Ik was er niet ontevreden over. Of eigenlijk: ik stond er niet vaak bij stil. Er kunnen weken en maanden voorbijgaan dat ik niet denk aan mijn energieleverancier. Er komt stroom uit mij stopcontacten, er komt gas uit de gasleiding, ik heb niet het idee dat ik buitensporig veel geld kwijt ben aan de diensten en producten. Eens in de zoveel tijd verschijnt er een factuur, die voldoe ik, en dat is het wel zo’n beetje. Tot gisteravond.

Een telemarketeer van Engie aan de lijn. Of ik mijn ik-Engie (of hoe het ook mag heten) heb geactiveerd, (niet dat ik weet), hoeveel ik maandelijks betaal (geen idee, is geen parate kennis en die gegevens heb ik niet direct bij de hand) of ik tevreden ben (zoals boven al uitgelegd: ik ben er niet dagelijks mee bezig) – veel van dat soort inleidende maar nutteloze vragen. Langzaam, tergend langzaam bereikt hij zijn punt. Wat ik per Kilowattuur betaal (geen idee, maar dat hoeft ook niet, want hij heeft het zelf op het scherm voor zijn neus). Hij noemt een bedrag. Ik geloof hem meteen. Hij vertelt dat dit bedrag omlaag kan, hij rekent even en noemt een lager bedrag. Mooi. Daarna hetzelfde voor de kubieke meters gas. We zijn inmiddels al meer dan vijf minuten aan de praat. Ik vat het even samen, want dit had ook in één minuut gekund: hij wil mij een aanbod doen om deze tarieven te verlagen, als ik beloof om de komende drie jaar niet van leverancier te veranderen. Daar was hij het mee eens, daar kwam het eigenlijk op neer. Vervolgens doe ik wat ik in een dergelijk geval altijd doe: ik zeg geen ‘ja’ maar ik vraag hem om de precieze gegevens te mailen. Als alles schriftelijk op een rijtje staat kan ik nadenken, overleggen, en als ik het wat vind dan neem ik weer contact op. Hij zou het opsturen. Maaarrrrrr – dan moest ik nu wel eerst ‘ja’ zeggen. Als het me niet beviel had ik nog ruime mogelijkheden om te annuleren. Dat was dus niet wat ik wilde. Ik wilde de informatie op schrift om dan eventueel ‘ja’ te zeggen. Ik wil niet in een positie komen dat ik ‘nee’ moet zeggen om ergens vanaf te komen. Het verschil is klein, maar wezenlijk. Ik vind het eerlijk gezegd ook de normaalste zaak van de wereld dat je, als je een zakelijk voorstel hebt, je dat voorstel op papier zet, zodat de ander alle ins- en outs kan bekijken. Stuur het gewoon op – zo moeilijk is het toch niet? Maar nee, dat kon niet. Ik moest eerst akkoord gaan, anders kon hij de stukken niet toesturen. Het format/ de aanbieding/ het bedrijf/de campagne/ iets-anders stond dat niet toe. Ik heb hem nog vriendelijk verteld dat zijn opdrachtgever volstrekt gestoord is, en hij wist niet beter te reageren dan met een wat schaapachtige lach. Minpuntje. Het was niet bedoeld als grap – het was een serieuze observatie. Wij rondden het gesprek af.

Achteraf zit ik met de kater. Nu weet ik zeker dat ik minder zou kunnen betalen voor mijn gas en elektra. Ik betaal dus elke maand teveel.  Alleen: om marketingtechnische redenen kunnen ze me dat betere aanbod niet toesturen. Maar ik betaal dus teveel. Elke maand opnieuw. Ik was niet ontevreden, maar nu ben ik dat wel. Ik moet denk ik op zoek naar een nieuwe energieleverancier. Met dank aan deze telemarketing campagne om bestaande klanten voor langere tijd te binden.

 

 

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Jelle Brandt Corstius versus Gijs van Dam, en vice versa

Nadat Jelle Brandt Corstius zijn ervaring als slachtoffer van ongewenste intimiteiten via Trouw en DWDD publiek had gemaakt, reageerde de (vermeende) dader door te verschijnen in het programma Pauw. Hij was vergezeld van zijn advocaat (Peter Plasman), deed zijn verhaal, antwoordde op vragen, en kondigde aan aangifte te doen tegen JBC, wegens laster en smaad.

Partijen zijn het goeddeels eens over de feiten: dronkenschap, hotelkamer, sexuele handelingen. Destijds was de ervaring blijkbaar al niet ongekwalificeerd positief voor beide partijen – geen van beiden is er destijds op teruggekomen, herhaling was blijkbaar geen voor de hand liggend vervolg. Tot zover de feiten.
Dan hebben we de interpretaties (van intentie en beleving) van eigen en andermans handelen. Hier lopen de verhalen uiteen. JBC interpreteert/ ervaart zichzelf als slachtoffer, wat GvD automatisch tot dader maakt. GvD was/is zich van geen kwaad bewust. Bij beide partijen kan zowel de grote afstand in tijd (15 jaar) als het gebruik van alcohol op de betreffende avond van invloed zijn op de interpretatie/weergave van de feiten.

Wat we niet buiten beschouwing mogen laten is de context in het heden. JBC komt met zijn persoonlijke ervaring in het kader van #metoo, en levert daarmee een bijdrage aan het publieke debat, en wel op de volgende onderdelen: 1) niet alleen vrouwen hebben te maken met ongewenste intimiteiten, maar mannen ook, en 2) schaamte, onervarenheid, onhandigheid e.d. kunnen eraan bijdragen dat men die ervaringen met niemand deelt en geen aangifte doet, terwijl de ervaring zelf een blijvende negatieve invloed heeft op iemands levensgeluk.
Hierbij doet de persoon van de dader (echt of vermeend) in het specifieke geval er niet toe. Voor het publieke debat zijn het gezicht en de naam niet van belang. Bij mijn weten heeft JBC die naam ook alleen maar doorgegeven aan de journalisten van Trouw, opdat de mogelijkheid van hoor- en wederhoor ontstond. Mogelijk omdat de naam van GvD toch wel zou opduiken, gegeven de details van het verhaal, maar nu speculeer ik. Misschien was het in retrospect onverstandig om de naam te noemen, misschien was het ondoenlijk om de gebeurtenissen volledig te anonimiseren, misschien voelde het jounalistiek niet goed om de ander de mogelijkheid tot weerwoord te ontzeggen. De naam en de persoon waren, in elk geval in mijn perceptie, niet de kern van het verhaal. JBC trad niet naar voren om een individu aan de schandpaal te nagelen, maar om een persoonlijke bijdrage te leveren aan het publieke debat. Ik weet natuurlijk niet zeker of dit de intentie van JBC was, maar zo heb ik zijn gedrag begrepen.
Indien GvD daartoe de behoefte gevoelt, kan ook hij zijn verhaal publiek maken. Daarbij kan blijken dat het mogelijk is dat iemand anders jou als ‘dader’ ervaart, terwijl dat totaal niet aansluit bij de eigen ervaring/ interpretatie van de gebeurtenissen. Die verhalen kunnen naast elkaar bestaan. Het publiek kan de verhalen naast elkaar houden, en zo nodig een eigen standpunt bepalen. Zolang JBC geen aangifte doet, is dit geen zaak voor de rechter.

Anders wordt het, als GvD aangifte doet tegen JBC, en wel wegens laster/smaad. Ten eerste vind ik het vreemd dat GvD met zijn gezicht op tv verschijnt. Ik had geen gezicht bij de (vermeende) dader, (en ik hoefde dat ook niet te weten) maar nu heb ik dat wel. Meer dan JBC ooit zou kunnen doen heeft GvD zelf daarmee zijn eigen leven overhoop gegooid, namelijk door zich op deze manier aan het publiek te tonen. Het idee dat de hele wereld de rest van je leven naar je zal kijken met de gedachte in het achterhoofd dat je mogelijk de dader bent van een sexueel misdrijf, (mijn parafrase van GvD’s motivatie om juridische stappen te ondernemen) lijkt me nogal overdreven en egocentrisch. Pas als je met je gezicht verschijnt in een goed bekeken talkshow, wordt dit een reële mogelijkheid, maar eerder eigenlijk niet.
Ten tweede vind ik het agressief om dit gebeuren van 15 jaar geleden middels zo’n aangifte alsnog in het juridische te trekken. GvD maakt de ander nu ook uit voor lasteraar/smaadpleger, wat op zich ook weer zou kunnen kwalificeren als smaad of laster. Ook JBC heeft een eer en goede naam die kunnen worden aangetast.
De agressie die uitgaat van een dergelijke aangifte, maakt in mijn ogen het verhaal van JBC aannemelijker. GvD is blijkbaar niet bereid of in staat tot een open dialoog, waarbij een mogelijke uitkomst is, dat men het niet eens is omtrent de eigen/andermans intenties van destijds. Hij zet direct het zwaarste middel in, op het briefpapier van een advocatenkantoor. Natuurlijk is dit geen inhoudelijk argument: het gedrag van GvD in het heden zegt feitelijk niets over zijn gedrag destijds. Maar misschien vertelt het ons iets over zijn persoonlijkheid, zijn vermogen tot het lezen van de ander, zijn manier om om te gaan met een conflict.

Het is jammer dat een persoonlijke bijdrage aan een publiek debat verwordt tot een onbeslisbare en ordinaire ruzie over wat wel of niet gebeurd is, 15 jaar geleden. Of over de wijze waarop je je daar in het heden wel of niet over mag uitspreken.
Het is jammer (maar naar ik vrees wel tekenend) dat er advocaten zijn die menen dat ze op deze wijze hun brood moeten verdienen – de juridificering van de samenleving. Dat gaat uiteindelijk ten koste van ons allemaal. Misschien moet het volgende publieke debat daar maar eens over gaan.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

BTW – verhoging

In het regeerakkoord voor het kabinet Rutte III is het voornemen opgenomen om het verlaagde btw-tarief te wijzigen van 6% naar 9%.  Het verlaagde nominale tarief van 6% wordt geheven op voedingsmiddelen, horecadiensten, genees- en verbandmiddelen, vervoer, lectuur en een aantal andere goederen en diensten (kappers, fietsenmakers). In De Correspondent (12 oktober 2017) bespreekt hoogleraar economie Bas Jacobs (o.a.) dit voornemen.  Ik citeer de betreffende passage:

Een aantal belastingmaatregelen is prima te verdedigen. Zo wordt het lage btw-tarief van 6 procent verhoogd naar 9 procent. Als de btw-tarieven niet gelijk aan elkaar zijn, stuurt de fiscus hoe mensen hun geld uitgeven. Mensen gaan meer geld besteden aan laagbelaste dan aan hoogbelaste goederen en diensten omdat die relatief goedkoper worden. Dat is economisch onwenselijk.

Bovendien kan de overheid de belasting voor de lage inkomens met de btw niet méér verlagen dan ze al kan met de inkomstenbelasting, omdat iedereen, van arm tot rijk, ongeveer één vijfde van al zijn aankopen doet onder het 6 procents-tarief. (…)

Bij deze passage staat een link naar een rapport van het CPB.
Wie het rapport erbij pakt ziet, dat dhr Jacobs de conclusies van de schrijvers op een essentieel punt onzorgvuldig weergeeft. In het stuk van het CPB staat:

Huishoudens worden ingedeeld op basis van het besteedbaar inkomen in tien groepen of decielen.[noot 13] Uit figuur 1 blijkt dat er geen groot verschil is tussen de inkomensgroepen qua aandeel van het budget dat besteed wordt aan productcategorieën die vallen onder het lage tarief. Verder besteden huishoudens in het negende deciel iets meer aan goederen en diensten met het standaardtarief dan huishoudens in het tweede deciel.

[noot 13]:  Het eerste en laatste deciel blijven normaliter buiten beschouwing, omdat de gegevens daarvan minder betrouwbaar zijn.

Niet ‘iedereen, van arm tot rijk’, doet ongeveer 20 % van zijn aankopen onder het 6 procents-tarief. Om deze conclusie te bereiken zijn juist de armste en de rijkste 10 procent van de bevolking buiten beschouwing gelaten. Het zou waar kunnen zijn, maar het volgt niet uit de cijfers en grafieken van het CPB. Hoe realistisch is deze stelling?

Het bijstandsniveau voor een volwassen alleenstaande bedraagt per 1 juli 2017 € 986,52, inclusief 5 % vakantietoeslag. Gegeven de gegevens van het CPB besteedt iedereen grofweg (exclusief BTW) 40 % van zijn inkomen in het vrijgestelde tarief, 40 % in het 21 %-tarief en 20 % van zijn inkomen in het verlaagde 6 % tarief. Oftewel: over iedere 100 euro die exclusief btw wordt uitgegeven, wordt (40 x 0,21 =) € 8,10 + (20 x 0,06 = ) € 1,20 aan BTW betaald. Samen € 9,30.

Exclusief BTW heeft de genoemde bijstandsgerechtigde dus (100/109,30 x 986 = ) € 897,50 te besteden in een maand, 20 % daarvan in het verlaagde btw-tarief. Dat komt neer op € 179,50 per maand. Zeg dat een maand 30 dagen is: dan kom je uit bij een budget van € 6,00 per dag exclusief btw, oftewel € 6,36 per dag inclusief btw. Dit  niveau is vol te houden, maar in praktijk is dit slechts voldoende voor eten en drinken – veel meer zit er niet in. Van de andere goederen en diensten die onder het verlaagde tarief vallen, kan met een dergelijk budget niet of nauwelijks gebruik gemaakt worden. Ik verwacht dat de armste 10% van Nederland percentueel aanzienlijk meer geld spendeert in het verlaagde tarief, dan de overige 90%.

Maar als dat lukt, als de volwassen alleenstaande met een bijstandsuitkering eet en drinkt voor € 6,00 per dag (ex btw), dan betekent de stap van 6 % naar 9 % een reële daling van het inkomen van (30 x 0,18 =) € 5,40 per maand. Dat is wat hij dan meer kwijt is aan btw. Dat is een achteruitgang in reëel besteedbaar inkomen van bijna 0,6%. Wie meer dan 20% binnen het lage tarief spendeert, gaat er harder op achteruit.

Bas Jacobs gaat ervan uit dat de lastenverzwaring ten gevolge van de btw-verhoging kan (en zal) worden gecompenseerd in de sfeer van de inkomstenbelasting. Ik betwijfel of dat in alle gevallen zal lukken. Er bestaat een groep aan de onderkant van de samenleving (sommige ZZP-ers, kunstenaars) die zo weinig inkomsten heeft dat ze geen inkomstenbelasting afdragen. Zij krijgen dan wel de lastenverzwaring, maar niet de bedoelde compensatie. De voorgestelde maatregel is dan ook m.i. denivellerend: de rijken worden per saldo rijker en de armen worden armer. Precies wat ik van een centrum-rechts kabinet zou verwachten.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen